Wedstrijdregels

De wedstrijdregels

De wedstrijdjudoka’s worden ingedeeld naar gewicht en leeftijd. Op de ochtend van elke wedstrijddag wordt het gewicht van de judoka’s door de organisatie gecontroleerd. Qua leeftijd wordt er ingedeeld in 7 verschillende klassen. De wedstrijdduur wordt naarmate de leeftijd vordert langer ( -12 jaar = 2 minuten, -15 jaar = 3 minuten, -17 jaar = 4 minuten, +20 jaar = 5 minuten). Een judopartij speelt zich af op een vierkante wedstrijdmat (TATAMI).

Deze tatami is opgebouwd uit een wedstrijdgedeelte met daaromheen een veiligheidsstrook (ook wel valrand genoemd). De maten verschillen nogal. Bij de jeugd is de wedstrijdgedeelte vaak 5×5 meter, terwijl bij de senioren een minimale maat van 8×8 meter verplicht is. Een wedstrijd wordt geleid door een hoofdscheidsrechter (staand op de mat) en twee hulpscheidsrechters (op een stoel op de hoeken van de mat). Bij kleinere jeugd-toernooien is er meestal alleen een hoofdscheidsrechter.

Je kan bij judo 3 soorten scores halen: IPPON, WAZA-ARI, ENYUKO. IPPON is de hoogste score (de partij is dan direct beslist), vervolgens een WAZA-ARI, en dan een YUKO. Een hogere score telt (ondanks het aantal) altijd hoger dan een lagere score (1 waza-ari is dus bijvoorbeeld meer dan 3 yuko’s).Winnen met een IPPON levert 10 pnt op, met WAZA-ARI 7 en met een YUKO 5.

Je kan bij judo op 4 manieren een score behalen:

1. Je tegenstander te werpen (b.v. met een heup, schouder- of beenworp)

– als je je tegenstander in volle vaart plat op zijn rug gooit, is het een IPPON en meteen afgelopen.

– als hij net niet vol op zijn rug komt is het een WAZA-ARI (2x een waza-ari is ook een ippon)

– als hij op zijn zij terecht komt is het een YUKO

klik op judoinfo.com om verschillende worpen te zien

2. Je tegenstander in een houdgreep (OSAE-KOMI) te houden (een greep waarbij je je tegenstander met beide schouders op de mat drukt)

– duurt de houdgreep 25 seconden is het IPPON (en afgelopen)

– duurt de houdgreep 20 seconden is het een WAZA-ARI

– duurt de houdgreep 15 seconden is het een YUKO

3. Je tegenstander in een armklem of verwurging nemen en zo te dwingen tot opgave (vanaf 12 jaar)

– als hij opgeeft is het IPPON en dus afgelopen

4. Punten krijgen doordat je tegenstander een straf krijgt

– zo heb je een lichte overtreding, en een zware overtreding. De lichte leidt tot een SHIDO straf, en de zware tot een HANSOKU-MAKE (diskwalificatie). De eerste SHIDO is slechts een waarschuwing. Bij de 2de SHIDO krijgt de ander een yuko. Bij de 3de SHIDO vervalt deze yuko, en veranderd deze in een waza-ari. Bij een 4de SHIDO wordt je gediskwalificeerd (HANSOKU-MAKE).

Voorbeelden van overtredingen die leiden tot een SHIDO:

– passief judoën

– schijnaanval maken

– vingers van de ander naar achteren buigen om greep te verbreken

– een beenschaar maken op romp, hals of hoofd van tegenstander

Voorbeelden van overtredingen die leiden tot een HANSOKU-MAKE:

– een tegenstander die op de mat ligt optillen, om hem daarna weer op de mat te werpen

– tijdens de wedstrijd onnodig roepen, opmerkingen of gebaren maken, met de bedoeling de tegenstander of de scheidsrechter te kleineren

– met het hoofd naar de mat “duiken” als je een heupworp inzet (zo kan je jezelf ernstig verwonden)

– een handeling verrichten die de tegenstander kan verwonden aan de hals- of nekwervels of handelingen die in strijd kan zijn met de geest van de judosport

Tot slot zie je een plaatje met de meest voorkomende scheidsrechtersgebaren.